Doorslapen per leeftijd: wat is realistisch en wanneer mag je het verwachten?

"Slaapt hij al door?" Er is geen vraag die zo onschuldig klinkt en zo hard aankomt. Meestal gesteld door iemand die zelf acht uur heeft geslapen.

Het eerlijke antwoord op die vraag is: waarschijnlijk niet, en dat hoeft ook niet.

Wat doorslapen eigenlijk betekent

In slaaponderzoek geldt vijf aaneengesloten uren als doorslapen. Vijf. Dat is van elf uur 's avonds tot vier uur 's nachts. Als jouw baby dat haalt, doet hij het volgens de boeken al goed — ook al voel jij je gesloopt.

Dat is meteen de kern van waarom die vraag zo onterecht is. Moeders vergelijken zich met een norm die niet klopt.

Wat realistisch is per leeftijd

0 tot 3 maanden

Slapen in blokken van twee tot vier uur, dag en nacht door elkaar. Er is nog geen dag-nachtritme; dat begint zich pas rond zes weken te vormen. Nachtvoedingen zijn noodzakelijk — een maagje van deze grootte houdt het simpelweg niet langer vol.

3 tot 6 maanden

Het ritme komt op gang. Sommige baby's halen nu blokken van vijf tot zes uur. Andere doen dat niet, en ook dat is normaal. Rond vier maanden komt bovendien de beruchte slaapregressie: de slaapcycli veranderen en veel baby's worden ineens weer vaker wakker. Dat is ontwikkeling, geen achteruitgang.

6 tot 12 maanden

De meeste baby's kúnnen nu fysiek de nacht door zonder voeding. Willen is iets anders. Tandjes, leren zitten, leren staan, verlatingsangst rond acht maanden — het onderbreekt allemaal de slaap. Eenmaal per nacht wakker worden is op deze leeftijd heel gewoon.

1 tot 2 jaar

Nachten worden langer en rustiger, maar nog steeds wordt ongeveer een derde van de peuters regelmatig wakker. Vaak rond een sprong, ziekte of verandering.

Wakker worden 's nachts is geen probleem dat je moet oplossen. Het wordt pas een probleem als het jou sloopt. Dat verschil bepaalt of je iets moet veranderen.

Wat het beeld vertekent

Ouders die zeggen dat hun baby van zes weken doorslaapt, hebben soms gelijk. Vaker gebruiken ze een andere definitie, tellen ze de nacht vanaf de laatste voeding, of vergeten ze de keer dat ze om drie uur even de speen teruggaven.

Vergelijk niet. Er is geen wedstrijd, en als die er was zou de prijs een kind zijn dat toevallig een makkelijke slaper is.

Wat je wél kunt doen

  • Werk aan het inslapen, niet aan het doorslapen. Een kind dat zelfstandig in slaap valt, valt na een korte ontwaking ook zelf weer in slaap.
  • Houd de nacht saai. Weinig licht, geen praten, geen oogcontact. Overdag juist wel.
  • Kijk naar de dag. Te weinig dutjes leidt tot oververmoeidheid, en oververmoeide kinderen slapen slechter.
  • Verdeel de nacht. Als het even kan: jij de eerste helft, je partner de tweede. Vier uur aaneengesloten scheelt meer dan acht uur onderbroken.

Wanneer je het bespreekt

Bespreek het met het consultatiebureau als je kind ouder is dan zes maanden en meer dan vier keer per nacht wakker wordt, als het snurkt of hoorbaar moeite heeft met ademen, of als jij zelf zo moe bent dat het je dagen bepaalt. Dat laatste is een reden op zich.

Je bent geen slechte moeder als je kind niet doorslaapt. Je bent een moeder van een kind dat niet doorslaapt. Dat is een verschil van een heel leven.