Fantasievriendjes: waarom je je geen zorgen hoeft te maken

Ze wil dat je wacht met de deur, want Lotte moet er nog uit. Lotte bestaat niet. En jij vraagt je af of dit normaal is.

Ja. Ongeveer een op de drie kinderen heeft ooit een fantasievriendje, meestal tussen drie en zeven jaar.

Waarom kinderen ze verzinnen

Een fantasievriendje is geen teken van eenzaamheid of een probleem. Onderzoek laat juist het tegenovergestelde zien: kinderen met fantasievriendjes zijn vaak creatiever, hebben een grotere woordenschat en zijn beter in het inleven in anderen.

Wat ze ermee doen:

  • Oefenen met sociale situaties zonder risico.
  • Controle uitoefenen in een leven waarin ze verder weinig te zeggen hebben.
  • Moeilijke gevoelens onderbrengen. "Lotte is bang voor de dokter" is makkelijker te zeggen dan "ik ben bang".
  • Gezelschap houden bij een verandering: een verhuizing, een broertje, een nieuwe school.
Luister goed naar wat het vriendje zegt. Vaak vertelt jouw kind je via hem dingen die het rechtstreeks niet durft.

Hoe je ermee omgaat

Doe mee, maar wees niet de baas

Zet dat extra bord neer als ze het vraagt. Maar bedenk niet zelf wat Lotte vindt — dit is haar wereld, niet die van jou.

Speel het spel niet te ver

Je hoeft niet te doen alsof je het vriendje echt ziet. Iets tussenin werkt prima: "Jij zegt dat Lotte er zit — wil zij ook appel?"

Laat het vriendje geen alibi worden

"Lotte heeft de melk omgegooid." Ga hier niet in mee. "Lotte kan geen melk pakken. Jij mag het opruimen — dat mag samen met Lotte." Vriendelijk, en de verantwoordelijkheid blijft waar hij hoort.

Maak er geen show van

Vertel het niet lachend door aan visite waar zij bij is. Voor haar is het serieus.

Wanneer je wel oplet

Bespreek het met het consultatiebureau, de school of de huisarts als:

  • je kind geen onderscheid meer lijkt te maken tussen fantasie en werkelijkheid, ook niet als je er rustig naar vraagt;
  • het vriendje je kind bang maakt of opdrachten geeft;
  • je kind alle echte contacten mijdt ten gunste van het vriendje;
  • het samenvalt met een sterke terugval in gedrag, angst of somberheid.

Dat is zeldzaam. In verreweg de meeste gevallen verdwijnt het vriendje vanzelf, ergens rond het zevende jaar — vaak zonder dat iemand het merkt.